Golgotha 

Na de Nederlandse première van Frank Martins Golgotha op 21 juni 1958. Hein Jordans, Marie Martin en de componist.

Negentien portretten van hedendaagse componisten

Vooruitstrevend in de regio
Eeuwenlang is het symfonieorkest gekoesterd. Door keurvorsten, koningen en keizers in de achttiende eeuw, prachtlievende aristocraten met een royaal gevulde buidel die hun eigen muzikale keurtroepen onderhielden. Door negentiende-eeuwse burgers, die maatschappijen tot bevordering der toonkunst oprichtten, concertzalen neerzetten en er ter lering en vermaak een orkest installeerden. En door de twintigste-eeuwse overheid, althans de Nederlandse, die in het symfonieorkest een machtig wapen van cultuurspreiding en kunsteducatie zag.
Tot de jaren zeventig, toen plots het economische tij ging tegenzitten. Niets sprak meer vanzelf, al helemaal niet in de gesubsidieerde kunsten. De Staat der Nederlanden vlooide haar cultuurboekhouding na op besparingsmogelijkheden en daarbij scheerde het rode potlood vervaarlijk langs de post symfonieorkesten. Er waren er teveel, vond men, en ze kostten handenvol geld. Het orkestwezen moest dringend worden gesaneerd, zonodig met de shocktherapie van samenvoeging of opheffing. Naast kwaliteit hanteerde de overheid geografische spreiding als criterium. Ook Het Brabants Orkest mocht zich zorgen gaan maken.
Er hing meer onheil in de lucht. Als een orkest de symfonische herverkaveling van Nederland zou overleven, dan moest het artistieke hart dringend in revisie, anders zou de toestand alsnog terminaal kunnen worden. Het prachtige instituut van de filharmonie dreigde namelijk de aansluiting bij de eigen tijd te verliezen.
Om te beginnen werd het repertoire waaruit een symfonieorkest kon putten aan alle kanten aangevreten. In de jaren zeventig waren de jongens van de historische uitvoeringspraktijk voortvarend begonnen met de confiscatie van Bach en Händel en onstuitbaar trokken ze op naar Haydn, Mozart en Beethoven. Je moest er niet aan denken wat er ging gebeuren als ze zich zouden storten op Brahms of Bruckner... Hun frisse geluid vond volop weerklank. Frans Brüggen en Ton Koopman heetten de nieuwe helden; het Orkest van de Achttiende Eeuw en The Amsterdam Baroque Orchstra waren de machtige authentieke voertuigen waarin ze zich voortbewogen. Het symfonieorkest had het nakijken.
Ook in de nieuwe muziek greep de revolutie om zich heen. De ensembles in die sector waren klein, flexibel, en werden bevolkt door musici die hun specialisme met hartstocht hadden verworven. Geen wonder dat een eigentijdse componist zijn noten liever leverde aan deze geestverwanten. Louis Andriessen en Reinbert de Leeuw waren van die gedreven nieuwlichters in deze sector; al componerend en dirigerend ontsloten ze met Hoketus en het Schönberg Ensemble nieuwe werelden. Alweer stond het symfonieorkest met lege handen.
En hád men buiten de Randstad de euvele moed om een eigentijdse compositie te programmeren, dan liet het publiek het afweten! Daar hadden de componisten wel voor gezorgd, die a1s dominostenen waren gevallen voor de hermetische techniek van het serialisme. 'Tuut-piep-knormuziek' zei de trouwe concertbezoeker dan en hij rilde van afgrijzen. Het symfonieorkest had andermaal een probleem.
Ten slotte was er de gestaag ouder wordende liefhebber van klassieke muziek. Al relativeerde componist en trompettist van Het Brabants Orkest Jo van den Booren bij zijn afscheid: 'lk heb veertig jaar in het orkest gezeten. Veertig jaar heb ik horen praten over de vergrijzing van het publiek. Toen ik wegging had men het daar nog steeds over. Nou, dat waren niet dezelfde mensen van veertig jaar geleden. Het publiek vernieuwt zich constant.' Niet alles zat dus tegen.

Het begin van een tradltle
In 1989 schreef de Volkskrant: 'De jacht op de orkestsubsidies lijkt bij een aantal slachtoffers, na een fase van ontmoediging en demoralisering, een gunstig effect te hebben uitgeoefend op de artistieke vindingrijkheid. De symfonieorkesten roeren zich. Niet dat er vroeger niets gebeurde, maar vooral in de regio zijn signalen te bespeuren van een groeiend zelfbewustzijn.' De verslaggever plaatste zijn opmerking naar aanleiding van een serie concerten met muziek van Olivier Messiaen, waarmee Het Brabants Orkest volgens hem 'een oude traditie van componistenprojecten' nieuw leven inblies.
In feite was die traditie nogal pril: Het Brabants Orkest had zijn eerste Componistenproject in 1983 op touw gezet. Van 23 januari tot en met 10 februari werd ruim baan gemaakt voor Krzysztof Penderecki. De Poolse componist dirigeerde het orkest in symfonische werken van zichzelf en van zijn landgenoot Karol Szymanowski. Een aantal musici uit het orkest had bovendien een programma met kamermuziek voorbereid. Daarnaast kon de liefhebber in Breda, 's-Hertogenbosch, Tilburg en Eindhoven Poolse animatiefilms bekijken die Penderecki van muziek had voorzien, en in Eindhoven verhelderde muziekkenner Theodore van Houten 's mans leven en werk. In Tilburg vond een 'informeel gastcollege' plaats, waarin de componist over de ontwikkeling van zijn
muziek sinds 1945 sprak met Jo Elsendoorn, de voormalige directeur van het Holland Festival die hem in de jaren zestig naar Nederland had gehaald.
Het Brabantse initiatief trok de aandacht. De lokale pers kopte trots met de belangstelling van de NCRV: 'Brabants orkest voor de radio.' Het regionale dagblad De Stem glunderde al even vergenoegd: 'Het Brabants Orkest kan geen gebrek aan lef en besef van eigen kwaliteit [...] verweten worden als het het klaarspeelt deze man op de bok te krijgen.' Ook de landelijke pers haakte in. Dagblad Trouw wijdde zonder omhaal een pagina aan het Penderecki-project. 'De muziek in de provincie profileert zich' constateerde de krant, en bezag de activiteiten tegen de achtergrond van naderend subsidieonheil: 'de orkesten komen in actie in hun strijd om het bestaan.' In dezelfde kolommen mag toenmalig orkestdirecteur Huber van Werkhoven deze uitleg nuanceren: 'Het is niet uit zulke negatieve gedachten als 'de strijd om het bestaan' dat we besloten om Penderecki te vragen bij ons zijn eigen werken te introduceren.' Dat het een Poolse componist betrof kwam volgens de directeur niet uit de lucht vallen: met dat land onderhield Het Brabants Orkest immers al contacten vanwege een uitwisselingsproject met het symfonieorkest van Poznan (dit project is uiteindelijk niet doorgegaanl. Al met al vond Trouw het Penderecki-project de moeite waard: 'Voor de liefhebbers in de Randstad is er alle reden om nu eens richting Noord-Brabant te reizen omdat in het festijn voldoende nieuws zit.'
Waren de dames en heren muziekscribenten in algemene zin eensgezind in hun positieve oordeel over het Brabantse Penderecki-project, de besprekingen van de verschillende activiteiten waaierden uit van onverholen scepsis ('twee kleine dikke mannetjes op een podium, beleefdheden uitwisselend en open deuren intrappend') tot enthousiaste bijval ('Penderecki zweept Het Brabants Orkest op tot orkestraal hoogtepunt').

Op naar het Componistenportret
Het Brabants Orkest legde eer in met zijn Penderecki-project. Het waren niet de eerste schreden van het orkest op het pad van de hedendaagse toonkunst. Sinds het begin van de jaren zeventig kende men de zogeheten 'avant-garde-concerten' waarvan Jo van den Booren en Herman Olij de motoren waren. Het eerste van die concerten met hedendaagse kamermuziek vond op 2 december 1972 plaats in Breda. In de dagen daarna deden de musici, gerekruteerd uit het orkest, achtereenvolgens Tilburg, Eindhoven en 's-Hertogenbosch aan. Het programma vermeldde werken van onder anderen Jo van den Booren (Strofa), Ton de Leeuw (Antiphonie), Joop Voorn (Nakupenda), Enrique Raxach (Summer Music) en György Ligeti (Ramifications). Het kamermuziekonderdeel van de Componistenportretten vormt in feite de voortzetting van deze avant-gardeconcerten.
Het project met muziek van Krzysztof Penderecki leverde het stramien voor alle volgende portretten. Altijd kwam er symfonische muziek tot klinken, bij voorkeur gedirigeerd door de componist zelf, en een aantal orkestmusici bereidde een kamermuziekprogramma voor. Verder vond er met de componist een publiek gesprek plaats en voorzag een deskundige de concerten van een mondelinge inleiding. Vaak stond er een lezing door de geportretteerde op het programma en als hij filmmuziek had geschreven werden de betreffende prenten zo mogelijk vertoond.
Vanaf het seizoen 1984/85 wisselen Nederlandse en buitenlandse componisten elkaar af. Op het principe van de levende componist werd een uitzondering gemaakt met Dmitri Sjostakovitsj (1985/86), Hendrik Andriessen en familie (1991/92), Bruno Maderna (1996/97) en Willem Pijper (1998/99). Tijdens het seizoen 1990/91 haakte Het Brabants Orkest in op de actualiteit met het thema 'Rusland nu' waarvan de ondertitel luidde: 'De muzikale glasnost in het Rusland van vandaag'. Het programma vermeldde werken van Alfred Schnittke, Sofia Goebaidoelina, Edison Denisov, Leonid Grabovsky, Galina Oestvolskaja en Mischa Liebman.
Een seizoen kende twee Componistenportretten: in 1998/99 was er, behalve voor Willem Pijper, eveneens aandacht voor de muziek van Jo van den Booren. Aanvankelijk streefde men ernaar dat een componist zou aantreden als dirigent. Wie beter dan hijzelf kan orkest en publiek vertrouwd maken met zijn muziek?


Seizoen        Componist
1982/83        Krzysztof Penderecki
1983/84        Witold Lutoslawski
1984/85        Peter Schat
1985/86        Dmitri Sjostakovitsj
1986/87        Otto Ketting
1987/88        Peter Maxnvell Davies
1988/89        Olivier Messiaen
1989/90        Theo Loevendie
1990/91        'Rusland nu'
1991/92        Hendrik Andriessen
1992/93        Mauricio Kagel
1993/94        Tristan Keuris
1994/95        Oliver Knussen
1995/96        Ton de Leeuw
1996/97        Bruno Maderna
1997/98        Peter-Jan Wagemans
1998/99        Willem Pijper
1998/99        Jo van den Booren
1999/2000    Robert Heppener


door: Guido van Oorschot