CARNAVAL

Toon Hermans 'dirigeert' Het Brabants Orkest tijdens het derde
Oetelkonzert in 1967.
Carnavalsconcerten
Het is een belangrijke cesuur in het Brabantse kalenderjaar:
carnaval. Sinds 1965 draagt Het Brabants Orkest bij aan deze
feestvreugde. Eerst aarzelend, maar inmiddels vol overtuiging. Ook
de Proms en de cross-overconcerten golden jarenlang als een 'ideale
afwisseling op de reguliere concertpraktijk'.
Het moest er van komen, en het kwam er van. Als 's-Hertogenbosch
Oeteldonk wordt en de macht voor even in handen is van
carnavalsvereniging De Oetels en Prins Carnaval kunnen er vreemde
dingen gebeuren. Zo was het verzoek dat Het Brabants Orkest in 1964
kreeg goed voor menig gefronste wenkbrauw. De carnavalsvereniging
wilde net als in Limburg met het Limburgs Symfonie Orkest een
carnavalsconcert organiseren met Het Brabants Orkest. Het was
natuurlijk een vorm van vloeken in de kerk, want de artistieke
drijfveren van de klassieke musici waren niet werkelijk te rijmen
met de jolijt die de carnavalsvierders het liefste wilde horen,
maar op dinsdag 23 februari 1965 was het eerste Oetelkonzert in het
Bossche Casino een feit. 'As d'n diregènt d'raon komt (hij is groot
zat en nie van de maogerste, dus ge kèkt um nie over ut hoofd),
moete heel hard klappe', zo meldde het eerste programmaboekje, om
maar te onderstrepen dat Het Brabants Orkest vooral had toegestemd
omdat het bestuur mogelijkheden zag om nieuw publiek aan te
boren.

Een moeilijk proces
De vormgeving van het Oetelkonzert lag op het bord van
'carnavalsdirigent'Sef Pijpers, hoornist van het orkest en een
ervaren harmonie- en fanfaredirigent. De man die jarenlang de vaste
dirigent voor de carnavalsconcerten zou blijven, zette de toon met
concerten waar genoeg te beleven was voor de musici, maar waar ook
de carnavalsvereniging en de feestvierende massa uitstekend mee
leven kon. 'Een moeilijk proces', noemde Pijpers zijn werk in het
jubileumboek Een bevlogen orkest uitgelicht. 'Een hels karwei om
het repertoire nieuw en levendig te houden. Zowel het publiek als
het orkest zijn veeleisend en kwalitatief goede carnavaleske
stukken zijn dun gezaaid.' Pijpers wist de grootste gemene deler te
vinden tussen grap en goede muziek en scoorde met uitstekende
bewerkingen en intrigerende opdrachten aan Brabantse componisten.
Zo schreef Louis Toebosch het Concert voor tuba en piccolo en ging
het carnavalsconcert vaak om 20.11 uur van start met de
Openingsfanfare van Johannes Sebestioan Gètjesmoaker, de schuilnaam
die Jo van den Booren aannam om zijn bijdrage aan de feestvreugde
te leveren.


Knoerissenconcert
Naast het programma waren het vanaf 1967 ook de gastsolisten die
het Oetelkonzert tot een groot succes maakten. Meteen in 1967
zorgde Toon Hermans voor een onvergetelijk concert en ook in latere
jaren wisten artiesten als Marie-Cécile Moerdijk, Daniël Wayenberg,
Mini & Maxi,
Paul van Vliet, Joop Braakhekke en Karin Bloemen, die samen met
Caroline Kaart de zaal veroverde met een hilarische vertolking van
Rossini's Kattenduet, het carnavalsconcert steviger op de kaart te
zetten. Ook het concert met Toots Tielemans groeide uit tot een
memorabele gebeurtenis. 'Toots zat vrolijk te improviseren tijdens
de repetitie en de dirigent wist niet waar we waren', herinnert
eerste klarinettist Arno van Houtert zich. 'Hij vroeg het aan de
mondharmonicaspecialist. Toots antwoordde: "Daar moet je mij niets
over vragen; ik kan geen noot lezen". Het werd uiteindelijk een
geweldig concert.' Al in 1967 kwam er een carnavalsconcert bij. Het
Knoerissenconcert in de Udense Markthal. Dit concert werd door de
musici van het orkest al snel gezien als een opwarmertje voor het
Oetelkonzert de dag erna. Al kon het er ook erg gezellig toegaan.
Zo gaat het gerucht dat verschillende musici de nacht doorhaalden
en nog steeds in hetzelfde rokkostuum op de repetitie kwamen na het
concert in Uden. In de jaren tachtig groeide het aantal
carnavalsconcerten met het Concert carnavalesk in Eindhoven, het
Kruikenconcert in Tilburg en Concordia's Carnaval Concert in Breda
uit tot vijf. Een volle week feestgedruis.

Verkleedtraditie
Sef Pijpers had toen al afscheid genomen van het orkest. In 1976
legde de artistieke grondlegger van de carnavalsconcerten het
dirigeerstokje neer. In eerste instantie vond men een goede
vervanger in de Limburger André Rieu sr. [inderdaad 'de vader
van…'], die veel carnavalservaring had met het Limburgs Symfonie
Orkest. Vanaf 1981 trok de 'Brabantse Am sterdammer' Jan Stulen de
kar. Stulen nam het concert zeer serieus en wist het uit te bouwen
tot een thematisch geheel. Het publiek schikte zich met de mooiste
uitdossingen naar het heersende thema. Alleen het orkest bleef
jarenlang achter. Het verscheen keurig in rokkostuum om toch maar
het onderscheid te maken tussen het feest en de ernst. Tot een paar
jaar geleden. Toenmalig orkestdirecteur Stan Paardekooper loofde in
een vrolijke bui een prijs uit voor de best verklede orkestgroep.
'Ik weet niet of de prijs ooit is uitgereikt, maar de
verkleedtraditie is gebleven', zegt Van Houtert. 'Nu zien we er
tenminste niet meer uit als obers.' De verkleedpartij staat ook
voor de acceptatie van het carnavalsconcert onder de musici.
